Kun je God werkelijk kennen?

“Papa, hoe weet je nu dat God wel van alle mensen houdt?” Sta je daar rustig je tanden te poetsen na het ontbijt, krijg je deze vraag voorgeschoteld van je bijna 7-jarige dochter. Eerst voel je je trots. Dan denk je: “Hoe ga ik dat nou uitleggen aan een kind?” Dat mijn dochter een goede, eerlijke reactie verdient staat voor mij als een paal boven water. Daarbij raakt haar vraag een onderwerp die aardig wat mensen bezighoudt als het gaat om geloof. “Hoe weet je nu dat God…” Kunnen we er eigenlijk wel vanuit gaan dat we iets met enige zekerheid kunnen weten over God?

In deze blog – lezer opgepast: dit is geen kort verhaal – verwerk ik een paar van de vele items die ik de laatste weken voorbij heb zien komen over geloof in God (of toch maar niet) en twijfel over Zijn bestaan (of toch zeker weten?). Hoe zeker ben jij van je zaak?

Als je opgenomen wordt in de ruimte van God…

Het begon met die ene post die onlangs verscheen op lazarus.nl. Daar schrijft Job van Schaik dat atheïsten ook te zeker kunnen zijn van twijfel. Van Schaik – werkzaam op de cultuurredactie van Dagblad van het Noorden, aldus lazarus.nl – schrijft dat hij afscheid nam van het christelijk geloof zoals deze werd beleefd door zijn vader. De schoen wrong ‘m bij “dat zeker weten van de Vergadering der Gelovigen“. Maar datzelfde punt – zeker weten kun je überhaupt niet – maakte dat hij zijn atheïstische standpunten niet langer kon volhouden gedurende zijn studententijd. Mede dankzij colleges wetenschapsfilosofie en kentheorie. Hij komt tot de conclusie: “Ik realiseerde me meer en meer dat het menselijk waarnemingsapparaat en denkvermogen – inclusief alle technologische verlengstukken – te beperkt zijn om alles te bevatten.”

Mede dankzij dit inzicht wordt van Schaik milder ten aanzien van geloven. Het leidde zelfs tot een nieuwe ervaring: “In de Thomasviering werden mijn twijfel en mijn zekerheid even opgeschort en mocht ik mijn ziel openleggen voor God – wat dat ook moge betekenen. Ik denk dat iets dergelijks, als het goed is, in elke dienst gebeurt. Maar die zondag ervaarde ik het heel sterk, ook al kan ik het niet goed in woorden vangen.” Van Schaik vertelt zijn verhaal hoe het christelijk geloof uit zijn leven verdween en hoe er zich nu, schijnbaar, toch een nieuwe vorm van geloven bij hem aan het opkomen is. Hij vertelt het zoals hij het beleefde. Eerlijk. Open. Kwetsbaar.

Het kan ook anders

Een ander geluid verscheen vorig weekend in de bijlage van Trouw. Daarin werd een bijdrage van theoloog Frits de Lange gepubliceerd. Afgaande op dat artikel en een vervolg op zijn persoonlijke website heeft twijfel aan het christelijk geloof hem tot een heel andere zingeving gebracht. Namelijk die van geloven zonder geloof, door te leven zonder je af te vragen waarom.

In Letter & Geest, de bewuste weekendbijlage van Trouw, staat een essay van De Lange. Hij was voor mij een tot dan toe onbekend persoon. Maar gezien zijn staat van dienst als theoloog niet zo maar een willekeurig iemand met gedachten over God en het menselijk bestaan. Zijn huidige occupatie volgens zijn biografie is: “Hoogleraar Ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Groningen en tevens Buitengewoon Hoogleraar Systematische Theologie en  Ecclesiologie”. Qua geleerdheid mag ik buigen, geen twijfel.

De cover van Letter & Geest met Nefertiti, vrouw van Farao Akhnaton prominent afgebeeld, kondigt links onder in de hoek aan:

ESSAY 4
Na de persoonlijke God zegt
theoloog Frits de Lange
nu ook de hemel vaarwel

In dat essay schrijft De Lange dat hij niet meer in de hemel gelooft, omdat hij niet meer in de bestemming als werkelijk bestaand doel gelooft. Want: “Als je op je bestemming bent aangekomen, stuurt alles op een breuk aan.” En: “Een bestemming kiezen is een goed excuus om op reis te gaan. Haar bereiken is niet de vervulling van, maar het eind aan het verlangen.” Maar nog relevanter is volgens hem wat de idee van ‘hemel’ met het aardse leven doet: ‘Het heeft van God – met een beeld van Meister Eckhart – een koe gemaakt, die alleen om zijn melk wordt aanbeden, en van het geloof een ordinaire koehandel.’ De Lange koppelt zo de verwachting die mensen hebben om na de dood in de hemel te komen aan gelovigen die God stiekem alleen willen ‘kennen’ voor eigen profijt. Daarbij zijn ze eventueel ook bereid om foute – hele foute! – dingen te doen, zoals moordpartijen en zo. Schijnbaar zijn leden van extremistisch-religieuze groeperingen voor De Lange voldoende representatief van de gemiddelde gelovige, ongeacht godsdienst. Natuurlijk, als dergelijke redeneringen de basis vormen van geloof in een goede God dan is de geloofwaardigheid ervan ver te zoeken.

Is er een uitweg?

Maar hoe kan ik mijn geloof in God dan wel verantwoorden? Wat zeg ik tegen mijn dochter als ze me er op wijst dat ze God niet kan zien en ik haar antwoord dat Hij er wel is? Houd ik haar een luchtkasteel voor? Of maak ik haar dan deelgenoot van mijn zelfbedrog? En als ik dat dan ten stelligste ontken hoe kan ik dan in ’s hemelsnaam bewijzen dat deze ontkenning op terechte grond berust? Dat kán ik toch helemaal niet? “Nee, dat kan inderdaad niet” zou denk ik iemand als Wessel Stoker zeggen. Maar hij zou er vast ook aan toevoegen: “Dat hoef je ook helemaal niet. Waar het om gaat, is dat je een redelijkerwijs inzichtelijk kunt maken wat de basis is van je geloofsovertuiging.”

Stoker, godsdienstfilosoof en estheticus, toont in zijn boek Is geloven redelijk? aan dat geloven – als in écht geloven dat God er is en dat je Zijn aanwezigheid kunt onderscheiden in je leven – wel degelijk een te verantwoorden praktijk is. Hij legt uit dat de christelijke geloofsverantwoording lange tijd heeft geteerd op het zogenaamde “klassieke funderingsdenken”. Dat denken gaat ervan uit dat een bewering klopt als het ontwijfelbaar en niet-corrigeerbaar is. Een voorbeeld: lange tijd werd de bewering “God bestaat” gezien als een uitspraak die vanzelfsprekend (zelf-evident) waar is. Zodoende als ontwijfelbaar en niet-corrigeerbaar. Elke opvatting die aantoonbaar herleid kan worden tot deze basisbewering is dan eveneens waar. Door deze manier van redenen krijgt geloven onvermijdelijk een betonnen dogmatisch karakter dat valt of staat met logische argumenten. Voor veel christenen is dit dé manier om'” te staan” in Gods waarheid.

Maar Stoker wijst ons een andere weg. Hij reikt een voorstel aan waarop het geloof in God wel degelijk met redelijke argumenten onderbouwd kan worden als te verantwoorden praktijk. Allereerst gaat Stoker er niet van uit dat Gods bestaan zich laat bewijzen zoals een natuurfenomeen als de zwaartekracht. Hij laat daarmee, zoals velen in de filosofie en de wetenschap, het klassieke funderingsdenken achter zich. Vervolgens wijst hij erop dat  geloofsovertuigingen niet gebaseerd zijn op één enkel argument, maar dat geloof gegrond is op een samenspel van verschillende factoren. De belangrijkste grond, het sluitstuk zou je kunnen zeggen, voor iemands commitment aan een geloofsovertuiging is zijn of haar persoonlijke ervaring met God. Stoker benadrukt dat ervaring niet alleen maar spontaan en plotseling is, maar dat ook de “niet-directe, duurzame ervaring” van grote waarde is voor redelijk geloven. Wie Gods aanwezigheid ervaart, kijkt met hele andere ogen naar de werkelijkheid.

Dus ja, er is zeker een uitweg. Mensen als De Lange en Van Schaik hebben op een bepaald moment gebroken met een specifieke variant van het christelijk geloof. Maar vanuit het perspectief dat Stoker hanteert kun je je afvragen of ze zich persoonlijk hebben kunnen verbinden aan een overtuiging als ‘God bestaat’. Zij lijken vooral in een verstandelijke verhouding tot christelijke beweringen over God te hebben gestaan. Maar zo werkt geloven – net als veel andere dingen in het leven – nu eenmaal niet. De uitweg is dat we God niet hoeven te vangen in onze logica, maar dat we onszelf openstellen voor wat Van Schaik noemt ‘de werkelijkheid van God’. In die ruimte vinden persoonlijke ontmoetingen plaats waarin God zichzelf ‘bewijst’ en waar je Hem kunt leren kennen.

Dit mag ik mijn dochter meegeven

Dit lijkt makkelijk gezegd. Ik ken mensen die oprecht openstonden voor een ontmoeting met God, maar bij wie het geloof geen wortel heeft geschoten. Ik heb daar geen verklaring voor en vel daar geen oordeel over. Mijn eigen ervaring is echter dat God zich wel degelijk laat zien. En dus is Hij kenbaar voor mij als persoon. Als dat voor mij geldt en voor velen met mij, dan durf ik ervan uit te gaan dat dat voor de mens in beginsel geldt.

De Amerikaanse filosoof James K.A. Smith schrijft over het zeker weten zijn van God het volgende:  ‘Wanneer een pinksterchristen in zijn getuigenis beweert dat “Ik weet dat ik weet dat ik weet”, dan probeert hij uit te drukken dat hoe hij gelooft en wat telt als kennis niet eenvoudig is te verwoorden in een formule als “Ik weet X” of “Ik heb een geldige, ware overtuiging betreffende Y” (Speaking in Tongues, p. 62) . Net als Stoker wil Smith duidelijk maken dat mensen tot diepe innerlijke overtuigingen kunnen komen van Gods aanwezigheid, karakter en wil voordat zij de gelegenheid hebben gekregen deze ervaring te verklaren volgens een zekere logica. God kennen gaat dan voor God denken af. Daar is de hele mens bij betrokken. Het verstand dus ook, maar in een eerder stadium doet de mens door ervaring ‘pre-cognitieve’ kennis op van God door het lichaam, het gevoelsleven, de intuïtie. Met andere woorden, de rede heeft niet het monopolie op kennisvergaring. Zeker, het verstand heeft haar eigen rechtmatige plaats inzake geloofskwesties. Maar de overtuiging dat het menselijk verstand het laatste oordeel kan vellen over Gods bestaan en wezen, dát weerspreken Stoker en Smith.

In dit online filmpje legt Emmanuel Rutten, filosoof en wiskundige, uit hoe hij zich bewust is geworden van Gods nabijheid.

 

Een paar dagen na de onverwachte vraag over het kennen van God zie ik mijn dochter dansen in de tuin. Als ze binnen komt geef ik haar een compliment en vertel ik haar dat ik heb genoten van haar mooie dans. Met een zelfbewuste en tevreden uitdrukking op haar gezicht antwoordt ze: “Ik heb voor God gedanst. Omdat Hij van ons houdt.”

Laten zij dansend Zijn Naam loven, bij lier en tamboerijn voor Hem zingen.

Psalm 149:3